Korte geschiedenis van karate

De oorsprong van het karate vinden we in Okinawa waar het ontstond als Okinawa-te, een vorm van zelfverdediging welke afstamt van de oude Chinese krijgskunsten ch’uan-fa of kempo (weg van de vuist).

Er is een bekende Chinese legende betreffende de oorsprong van het kempo: de Indische Boeddhistische monnik Bodidharma of Daruma taishi reisde over het land van India naar China om er de monarch van de Liang-dynasty les te geven over het Boeddhisme. Om die lange gevaarlijke reis alleen te maken over een route die tot op de dag van vandaag bijna onbereisbaar is, is geen éénvoudige onderneming en getuigt van Daruma’s krachten in fysieke en mentale volharding. Hij verbleef in China in een klooster genaamd Shaolin-szu en gaf er onderricht in het Boeddhisme aan de Chinese monniken. De traditie kent verhalen over de strenge discipline en het levensritme dat Daruma oplegde aan zijn discipelen. Vaak zorgde dit ervoor dat de studentenmonniken het bewustzijn verloren van fysieke uitputting. In een volgende bijeenkomst zei hij hen dat hoewel het doel van Boeddhisme erin bestaat de ziel te redden, het lichaam en de ziel onafscheidelijk zijn, en dat ze in hun verzwakte fysieke toestand nooit in staat zouden zijn om de ascetische praktijken te beoefenen welke nodig zijn om de ware verlichting te bereiken.
Om deze toestand te verbeteren, begon hij hen een systeem van fysieke en mentale disciplene te leren, welke belichaamd werd in de I-chin sutra. Het leren beheersen van de lichaamsenergie of ki, vond niet enkel een toepassing in de meditatie, maar kreeg ook vorm in een krijgskunst. Gedurende de jaren verwierven de monniken van Shaolin-szu de naam de beste vechters in China te zijn. Later werd hun kunst Shaolin-szu of “weg van de vuist” genoemd, welke de basis vormde voor de hedendaagse nationale sport in China (Shaolin/Chinese boxing).

Okinawa is het grootste eiland van de Ryukyu-eilandketen, welke zich uitstrekt van Zuid-Kyushu tot Taiwan in de Oost-Chinese zee. Vanaf de 15de eeuw had Okinawa culturele en economische contacten met zowel China als Japan, en waarschijnlijk werd kempo geïmporteerd samen met andere elementen van de Chinese cultuur. In de 16e eeuw bezette China Okinawa met militairen die getraind waren in het Chinese kempo. De mensen op Okinawa waren in deze krijgskunst erg geïnteresseerd en combineerden het met een inheemse gevechtsvorm om uit te komen bij het ondertussen gekende Okinawa-te.

In 1609 werd Okinawa bezet door de Satsuma Clan uit Japan en werden alle wapens verboden. De gevechtsstijl op Okinawa (te, tode of Okinawa-te) werd aangeleerd en ontwikkeld als een manier om zich ongewapend te verdedigen. Omwille van de strenge wetgeving moest deze krijgskunst in het geheim worden beoefend. Aangezien Okinawa gelegen is tussen Japan en Taiwan, kwam het in contact met vele andere Oosterse gevechtsstijlen. Voornamelijk het kempo of Chinese boksen, maar ook stijlen uit Japan en de Ryukyu ijlanden. Deze gevechtsmethoden werden naar Okinawa gebracht, samen met de handel die tussen de verschillende landen gedreven werd.
Sommige van deze stijlen werden gecombineerd en vormden nieuwe en verschillende stijlen van ‘te’. Drie stijlen ontwikkelden zich rondom drie belangrijke dorpen: Shuri-te, Naha-te en Tomari-te.

Gichin Funakoshi Sensei, geboren op 10 november 1868, begon in 1879 op 11-jarige leeftijd met zijn studie van het karate. Hij bestudeerde het Shuri-te en Naha-te van zijn meesters Yatasune Azato Sensei en Yatasune Itosu Sensei. Deze vormen werden uiteindelijk verfijnd in twee karatestijlen: Shorei-ryu en Shorin-ryu. De eerste legde de klemtoon op zeer sterke maar trage technieken. De ander op snellere, maar minder sterke aanvallen. Funakoshi trachtte de meest geschikte aspecten van elke kunst te combineren in een nieuwe stijl die later Shotokan zou heten. De betekenis van de naam Shotokan werd afgeleid van Funakoshi Sensei’s schrijversnaam ‘Shoto’ (hij schreef ook gedichten), en ‘Kan’ betekende gebouw of huis, wat Shotokan letterlijk doet vertalen tot het ‘Huis van Shoto’. De omgeving van Funakoshi’s huis aan de kust verleende hem uitzicht op de berg Torao, wat ‘tijgerstaart’ betekent, waar hij de wind zag afdalen in de pijnbomen. Reeds in 1888 had Funakoshi van karate een manier van leven gemaakt, en zijn beroep als leerkracht vormde een goede basis om ook het karate te doceren. In 1917 was Funakoshi Sensei de eerste om zijn karatestijl in Japan te demonstreren waar hij werd uitgenodigd door de Dai Nippon Butokukai (letterlijk: Associatie van de Grote Martiale Deugden van Japan). In 1922, Funakoshi was nu 53, werd hij gevraagd een demonstratie te geven in Tokyo, en koos hij Bassai Dai en Kanku Dai, toen nog Passai en Kushanku. In 1930 veranderde Funakoshi de oorspronkelijk naam ‘Chinese hand’ in ‘Lege hand’, daar het karakter ‘kara’ op beide manieren kon gelezen worden. Ook de namen van de kata’s werden veranderd in namen waarvan Funakoshi hoopte dat ze meer in de smaak zouden vallen bij het Japanse publiek (bijvoorbeeld Pinan in Heian, etc.). Bovendien verfijnde hij zijn krijgskunst zodat deze geschikt zou zijn om aan te doceren aan jong en oud, jongens en meisjes, mannen en vrouwen.

Tegen 1935 waren er karate dojo’s aanwezig in de belangrijkste Japanse universiteiten, en werd karate wijd en zijd beoefend. Aangezien karate zo populair werd in Japan, kwamen steeds meer experts uit Okinawa en China om les te geven.
In 1936 richtte Funakoshi Sensei het ‘Shotokan’ op in Tokyo. 1948 betekende de start van de Japan Karate Association met o.a. Masatoshi Nakayama en Isao Obata, en Gishin Funakoshi Sensei als hoofdinstructeur. Deze organisatie maakte het mogelijk voor de karate instructeurs om hun kennis en vermogens door te geven. De vooruitgang in het karate ging snel, wat leidde tot de ontwikkeling van drie belangrijke aspecten van het karate: als zelfverdediging, als sport en als krijgskunst.

In april, 1957, stierf Funakoshi, op 88-jarige leeftijd.